Wanneer zijn baby’s klaar voor zindelijkheidstraining? Een antropologisch perspectief.

In discussies over zindelijkheidsstraining of  BZC (baby zindelijkheidscommunicatie) bij baby’s wordt door sceptici of tegenstanders vaak geopperd dat de sluitspier van jonge baby’s daar nog niet voldoende voor ontwikkeld is. Wetenschappelijk onderzoek wijst evenwel in een andere richting.

In een artikel dat in 1977 werd gepubliceerd in het Amerikaans wetenschappelijk tijdschrift Pediatrics Magazine  beschrijven de antropologen Marten W. en Rachel DeVries de observaties die zij deden tijdens een verblijf bij de Digo, een tribale gemeenschap in Kenia. De Digo is een volk van boeren en vissers van ongeveer 110.000 mensen dat leeft in dorpen van rond de 3.000 inwoners met grote lemen huizen met daken van grassen.

In contrast met onze hedendaagse ‘Westerse’ opvattingen nemen de Digo aan dat baby ‘s al van hun eerste levensmaanden in staat zijn om allerhande vaardigheden aan te leren, en de opvoedingswijze is volledig toegespitst op het zo vroeg mogelijk verwerven van deze vaardigheden als lopen, zijn ontlasting controleren  en communiceren over zijn basisbehoeftes.

De eerste 2 maanden wordt de baby door de moeder nagenoeg constant in een doek op het lichaam gedragen. Tijdens deze periode observeert de moeder de baby van zeer nabij. De onmiddellijke respons van de moeder op de signalen van de baby wordt als een eerste stap in de baby’s leerproces beschouwd. De moeder koppelt aan haar reactie eigen gebaren of auditieve signalen waardoor moeder en baby eigen signalen-woordenschat ontwikkelen voor ontlasting, buikkrampen, honger, dorst en de nood aan fysieke affectie.

Dit alles gebeurt in totale openheid en aanwezigheid van oudere broers en zussen. Waar het tijdens het eerste levenjaar nog aanvaardbaar wordt geacht dat er af en toe nog ongevalletjes gebeuren, verandert dat rond het eerste levensjaar. Wanneer de baby begint te lopen word hij ook geacht op voorhand mede te delen wanneer hij zich wil ontlasten en dat daarmee ook te kunnen wachten tot hij mee naar buiten wordt genomen. Als er na het eerste levensjaar nog ongevalletjes voordoen wordt de baby gestraft. Onder meer de groepsdynamiek door de betrokkenheid van broers en zussen bij de opvoeding draagt ertoe bij dat ongevalletjes vanaf het eerste levensjaar steeds zeldzamer worden.

De auteurs vergeleken hun terreinobservaties bij de Digo met ‘Westerse’ opvattingen over wanneer een baby klaar is voor zindelijkheidstraining en komen tot de vaststelling dat deze opvattingen niet zozeer het gevolg zijn universele medische wetmatigheden, maar van constant evoluerende culturele patronen. Met hun terreinobservaties bij de Digo weerleggen de auteurs studies uit de late jaren ’50, vroege jaren ’60 die vooropstelden dat een kind ten vroegste vanaf 18 maand fysiek en psychologisch klaar is voor zindelijkheidstraining. Tegelijk wijzen zij erop dat de methode van de Digo meer ruimte laat voor een wisselwerking tussen moeder en kind, en dat zij elkaars behoeftes en wensen leren kennen en daarover op een eenvoudige manier communiceren. Deze methode lijkt veel succesvoller dan het binaire conditioneringsmodel (belonen/bestraffen) dat bij gebrek aan kennis van alternatieve ‘zachte’ systemen ook vandaag nog de norm is.

(bron: Marten W. de Vries, Rachel deVries, “Cultural Relativity of Toilet Training redainess: A perspectieve From East Africa”, in Pediatrics, vol. 92, n° 2 August 1977)

 

Tagged ,,

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *